Begin januari 2026 schreef Het Parool dat op een parkeerterrein in Amsterdam-Noord tweeëntwintig auto’s waren opengebroken. De politie riep eigenaren op alsnog aangifte te doen, want lang niet iedereen had zich gemeld. Een paar weken later meldden regionale kranten dat Amsterdam koploper blijft in auto-inbraken, ondanks een flinke landelijke daling. In mei 2026 kwam daar de constatering bij dat de stad ook bij voertuigdiefstal bovenaan staat, met 220 gestolen voertuigen in de eerste maanden van dat jaar.
Dat past bij hoe hier geparkeerd wordt. Met gemiddeld een halve auto per huishouden staat de auto zelden voor het raam. Hij staat op een dek, in een garage onder het blok of twee straten verderop. Een camera aan je eigen gevel doet daar niets. Een camera bij de in- en uitrit van het parkeerdek wel, mits er genoeg pixels op de kentekenplaat vallen op de plek waar auto’s langzaam rijden.
De woninginbraken lopen ondertussen gewoon door. Het AD houdt er een dagtelling van bij: in de eerste helft van augustus 2026 stond de teller op een woensdag op tien, de woensdag daarna op acht, die donderdag op negen en die zondag op zes. Over heel 2025 registreerde de politie in deze gemeente 45.075 gevallen van diefstal en inbraak, oftewel 48,2 per duizend inwoners, plus 1.940 vernielingen aan auto’s.
Het gaat niet alleen om woningen: in de eerste week van augustus 2026 waren binnen zeven dagen drie brandweerkazernes in de regio doelwit. Bij oudere panden zit de zwakte meestal in dezelfde dingen die de politie al jaren noemt. Een cilinder die buiten het beslag uitsteekt, enkel glas naast de kruk, een meerpuntssluiting die wel dichtvalt maar nooit op slot wordt gedraaid. Een camera repareert dat niet. Hij legt vast wie het was en hoe laat, en dat is precies wat er in een aangifte ontbreekt.